Tijd lijkt altijd al te bestaan en nooit te eindigen. Alles heeft een begin en einde, behalve de tijd zelf. Wat zou er immers vóór de tijd moeten bestaan, of erna?
Men zegt wel eens dat het verleden niet meer en de toekomst nog niet bestaat. Wij leven dan altijd en alleen maar in het heden. Al die vluchtige momenten opgeteld, is dat nu onze tijd van leven? Bij dieren lijkt dat inderdaad het geval te zijn, zij leven altijd in het moment van NU. Mensen leven ook NU, maar mét de herinnering van toen en de verwachting van straks.
De afstand die de wijzer van de klok op de wijzerplaat aflegt, geeft ons een idee ‘hoe lang iets duurt’. Verleden, heden en toekomst blijven op de analoge klok tegelijk zichtbaar aanwezig. De digitale klok geeft slechts het heden aan. Het verleden is hier gewist en de toekomst nog niet aanwezig. Geef mij maar de analoge tijd, waarin heel mijn leven zijn onuitwisbare plekje in de tijd behoudt.
De hedendaagse mathematische natuurkunde veronderstelt dat tijd een illusie is. Vóór de oerknal en in de zwarte gaten bestaat geen tijd. En wij verdwijnen met ons allen ooit in een dergelijk zwart gat... Zonder mens geen bewustzijn? Zonder bewustzijn geen tijd? Creëert de mensheid haar eigen tijd? Dan is niet mijn leven afhankelijk van de tijd, maar bestaat omgekeerd de tijd bij de gratie van mijn ‘bewuste zijn’ in dit leven.
Met mijn eerste ademzucht creëer ik mijn eigen tijd, door iets te doen, door te leven. Ouder worden betekent niet de klaarliggende tijd verbruiken, waardoor ik steeds dichter bij mijn dood kom. Mijn sterven kan zich immers op ieder moment, oud of jong, aankondigen. Ieder geleefd uur verkort niet mijn leeftijd, maar verlengt juist mijn tijd van leven. De tijdbeker van mijn leven wordt niet geleegd, maar gevuld en, als het even kan, ... met geluk.
Zoals in sprookjes hopen wij op een leven ‘nog lang én gelukkig’. In werkelijkheid zijn lange levens niet altijd gelukkig en gelukkige levens niet altijd lang. Waarvoor kiezen wij, voor lengte of geluk? Of voor beide? Is er wel wat te kiezen? Misschien doet hoop een beetje leven, maar het lot blijft hierdoor onberoerd.
Net als dieren staan wij machteloos tegenover datgene wat ons overkomt. Wij winnen de hoofdprijs in de loterij door stom geluk of wij krijgen een ernstige ziekte door blind ongelukkig toeval. Natuurlijk doe ik van alles om dit toeval een handje te helpen – ik ‘koop’ een lot en ik leef zo gezond mogelijk –, maar ik heb het resultaat daarvan niet in de hand. Het goede lot is niet te koop. Het valt ons toe.
Geluk hebben is prettig, maar garandeert niet gelukkig zijn. Dit laatste – ons levensgeluk – zit niet in de dingen om ons heen en valt ons evenmin toe, zoals het goede lot. Geluk zit in onszelf. Dat is prettig, want dan hebben wij toch iets zelf in de hand. En ‘dat iets’ is niet het minste in ons leven. In tegendeel, daar gaat het eigenlijk allemaal om.
Anders dan bij dieren is onze reactie op wat ons toevallig overkomt geen onvermijdelijk causaal gebeuren. Wij mensen hebben vrije ruimte om te denken en te handelen. Een dier past op zijn situatie als ‘een sleutel op een slot’. Ik heb iets te kiezen. Juist kankerpatiënten - en mensen met een andere levensbedreigende ziekte - laten zien dat geluk mogelijk is, ondanks alles. Dat kan geen kwestie zijn van hoop of toeval, maar van eigen keuze.
Die keuze voor gelukkig zijn, heeft een onverwacht effect. Juist een gelukkig leven duurt paradoxaal genoeg altijd te kort. Want geluk kent geen tijd.
Rein Stoel.
U kunt deze column door hier te klikken ook opslaan op uw eigen computer.
Queeste - Erkend lid Vereniging Filosofische Praktijk - Copyright © 2005 - 2011.