Kinderen blijven verrassen. Na een gesprekje over ‘sommige kinderen die ziek worden’, reageerde ons peutertje angstig met de vraag of zij een ‘sommig’ kind was.
Dezelfde vraag stelt de kankerpatiënt die zijn overlevingskans verneemt. ‘De kans dat u over vijf jaar nog leeft, is ongeveer 40 %’, zo zei de dokter. De rekensom is snel gemaakt. Zestig procent kans dat ik er over vijf jaar niet meer ben! Dat is schrikken. Wat betekenen deze cijfers voor mij? Ben ik een ‘sommig’ mens? Dat zal haast wel. Alle mensen zijn op hun beurt ‘sommige’ mensen. Sommige ‘sommige mensen’ gaan echter voortijdig dood en andere ‘sommige mensen’ blijven leven.
Ik ga te rade bij de statistiek. Dat is een vak apart. Een kwestie van toeval en tellen. Pas na vijf jaar kan ik controleren – of juist niet meer – tot welk soort ‘sommige mensen’ ik behoor. Veel heb ik daaraan niet, want ik wil graag zekerheid vooraf. Beschrijvende statistiek werkt alleen achteraf en zij heeft dan altijd gelijk. Maar wel voor een groep mensen waartoe ik niet behoorde. De voorspellende waarde voor mij persoonlijk ervaar ik als nihil. Zelfs als er 99 mensen van de 100 de vijf jaar overleven, is mijn leven niet zeker. Omgekeerd is ook mijn sterven bij een levenskans van 1 % geen zekerheid.
Wat betekent een overlevingskans van 40 % werkelijk voor mij? Wat moet ik er van denken en wat staat mij te doen? Stel dat ik al het mogelijke doe om mijn kanker te stoppen, en ik sterf toch, dan is mijn dood binnen vijf jaar nu al zeker. Alleen ik weet dat nog niet. Zou ik dat wel weten, dan is mijn sterftekans niet 60 %, maar 100 %. Omgekeerd, als ik over vijf jaar nog leef, dan was mijn sterftekans achteraf gezien niet 60 %, maar 0 %. Het is van tweeën één, ik ben over vijf jaar dood óf ik leef.
Voor de statistiek betekent dat misschien een kans van 60 / 40, maar voor mij betekent iedere statistische kans ‘alles óf niets’. In feite is sterven geen kans, maar een zekerheid. Het is zelfs de enige zekerheid in ons leven. Van tevoren vrede sluiten met datgene wat ten slotte onvermijdelijk is, geeft innerlijke rust.
Dit alles laat onverlet dat kanker een grote risicofactor is. Ik weiger echter mijn innerlijke rust afhankelijk te maken van een statistisch cijfer dat paniek zaait, maar weinig met mijn persoonlijke leven te maken heeft. Mijn levensgeluk hangt niet af van de levenskans van anderen.
Zolang ik er zelf wat aan kan doen, behoor ik tot de ‘sommige’ mensen die voluit leven, voor 100 %. Wel met een sterftekans van 100 %, dat is geen kans maar zekerheid. Ongeacht de voorspelling van de statistiek, doe ik alles om te voorkomen dat het 'niets' wordt. ‘Alles’ betekent adequaat handelen én adequaat denken. Meer is niet mogelijk, en minder wil ik niet.
Er is daarom voor mij maar één weg in het leven, en dat is positief leven zolang ik leef. En dan zie ik het wel..., of juist niet.
Rein Stoel.
U kunt deze column door hier te klikken ook opslaan op uw eigen computer.
Queeste - Erkend lid Vereniging Filosofische Praktijk - Copyright © 2005-2010.