Queeste home vereniging filosofische praktijk

Heel het leven

De kanker op middelbare leeftijd was niet het ergste dat hun moeder overkwam. Ook haar sterven niet. Dat kun je na tweeënnegentig jaren leven niet zeggen. Evenmin haar dementie. Die had zelfs milde trekjes, althans voor haarzelf. Niet voor haar kinderen. Het deed hen pijn te ervaren hoe haar geest langzaam weggleed in de vergetelheid. 'Zij was al lang mijn moeder niet meer', zo uitte een van haar zonen zijn verdriet.

Zij was inderdaad niet meer de vrouw die zij ooit was geweest. Maar, was zij slechts moeder tot het moment dat haar brein het liet afweten? Tellen mensen alleen mee zolang zij 'goed' zijn? Worden zij – en dus wij – afgeschreven zodra wij aftakelen? Wie van ons is nog wel degene die hij ooit was? Waar is het kind gebleven, dat wij waren?

Dit soort vragen confronteert ons met de raadselachtige problematiek van onze identiteit door de jaren heen. Terwijl er uiterlijk en innerlijk van alles met ons gebeurt, zeggen wij een levenlang 'ik' tegen 'iemand' die voortdurend verandert.

Ik hoor zeggen: 'Ik ben niet meer degene die ik was'. Tweemaal het woordje 'ik'..., wie van die twee is dan de ware 'ik'? De eerste 'ik', die kennelijk het NU vertegenwoordigt? Of de tweede 'ik', die verwijst naar vroeger? Misschien geen van beide, juist allebei, of nog andere vroegere 'ikken' bij elkaar?

Het onvermijdelijke lot kerft diepe groeven in de 'ik' die wij vroeger waren. Het 'ik' zelf schaaft en kneedt aan zichzelf, om zijn leven zinvol en draaglijk te maken. Ons leven is en blijft werk in uitvoering, het is een kunstwerk in de maak.

De auteur van dat kunstwerk wordt levend door de verhalen die verteld kunnen worden, verhalen die beginnen vóór onze geboorte en die doorgaan tot na onze dood. Het zijn verhalen van succes en teleurstelling, van angst en hoop, verhalen van gebeurtenissen die ons overkomen en verhalen over de wijze waarop wij daarmee omgaan. Juist om dat laatste gaat het. Niet het lot bepaalt de schoonheid van een leven, maar de auteur zelf.

Terug naar de demente vrouw, die eens jong was, moeder werd, kanker kreeg, dementeerde en stierf. De dementie kerfde diepe wonden in haar 'ik', maar bereikten niet haar moederhart. Dat bleef warm kloppend zichtbaar in haar ogen, zelfs toen haar hoofd het liet afweten. Zij was en bleef moeder.

Eén gebeuren beheerste haar leven tot aan het eind. Dat waren niet de kanker en de dementie die een natuurlijk lot voor haar in petto had. Wel het – nooit door haar uitgesproken – onrecht, dat haar door mensenhand werd aangedaan.

Het is alweer vijf en zestig jaar geleden, dat haar man als oud vuil naar een concentratiekamp werd weggevoerd. Moeder en kinderen kwamen levend door de oorlog heen. Niet haar man. De moeder werd vader en moeder tegelijk. Hoe kom je door die ellende heen, als je hele wereld bijkans vergaat? Hoe maak je van zo'n leven nog een kunstwerk?

Die jongens moeten doorleren, had haar man gezegd. Aldus gebeurde, ten koste van zichzelf. Of was haar zorg geen opoffering, maar vreugde en haar inspanning geen plicht maar, roeping? Mensen zeiden het: 'Als God bestaat, krijgt zij in de hemel een plaatsje aan zijn rechterhand'. Als...

De kinderen zaten aan haar sterfbed, toen hun moeder als laatste daad van zorg voordeed, hoe je ondanks een tragisch lot vredig kunt sterven. Haar laatste adem was diep en haar verwachte dood kwam plotseling. Een zucht van verlichting?

De tragedie was voltooid, maar haar verhaal gaat door. Het is het verhaal van een vrouw die ondanks menselijk onrecht en fysieke aftakeling innerlijk standhield en moeder bleef. Tot aan haar dood. Haar leven was een kunstwerk met een grote 'K', en zijzelf was de auteur. 'Zij was al lang mijn moeder niet meer', zei de zoon. Hij bedoelde, 'ik miste haar al toen zij er nog was'.

Rein Stoel.

U kunt deze column door hier te klikken ook opslaan op uw eigen computer.

Queeste - Erkend lid Vereniging Filosofische Praktijk - Copyright © 2005-2010.