Na zijn studie lichamelijke opvoeding en naast zijn functie van leraar aan de Pedagogische Academie te Haarlem studeerde Rein Stoel (1936) voor de middelbare akten A en B pedagogiek / onderwijskunde. Vanaf 1975 was hij inspecteur van het basisonderwijs. Na zijn vrijwillig vervroegd uittreden in 1997 studeerde hij filosofie met als specialisatie ‘ethiek’ aan de Katholieke Universiteit van Nijmegen, alwaar hij in 2001 cum laude afstudeerde op de scriptie ‘Van kwaad tot erger’, een grondslagenonderzoek naar het werk van de Franse filosoof Paul Ricoeur.
Holocaust
Hierna studeerde hij pedagogiek aan de Radboud Universiteit met als specialisatie
opvoedingsfilosofie. Ook hiervoor studeerde hij cum laude af met een werkstuk over
pluriformiteit binnen ons basisonderwijs. Leven en studie van de auteur werden
beïnvloed door oorlogservaring. Wat beweegt mensen anderen kwaad te doen? Of is dit de
verkeerde vraag? Is het goede voor de één het kwade voor de ander? Een godsdienstig
geïnspireerde verklaring van het kwaad vanuit de eenheid van de schepping voldoet niet.
Als liberaal sluit Rein een godsdienstig humanisme niet uit, maar een bovenmenselijke
wijze van zingeving kan voor hem persoonlijk ‘na de holocaust’ geen optie zijn.
Pluriformiteit en sterfelijkheid
Hoewel een absoluut fundament voor ons morele handelen logisch onmogelijk is, kiest
Rein voor twee moeilijk te weerleggen ‘universele’, maar niettemin arbitraire
evidenties. Ten eerste, niet eenheid, maar pluriformiteit is het primaire kenmerk van
onze wereld en ten tweede, sterfelijkheid en daardoor kwetsbaarheid is het kenmerk van
alle mensen. Bewustzijn van dit laatste verwijst onmiddellijk naar persoonlijke
verantwoordelijkheid ten opzichte van de ander. Aantasting van deze primaire humane
waarden betekent geweld. Zijn mensen in principe in staat deze aantasting te voorkomen
of is geweld door een botsing van vrijheden onvermijdelijk?
Liberaal humanisme
Vanwege de persoonlijke morele verantwoordelijkheid is een humanistisch standpunt
weliswaar onontkoombaar en noodzakelijk, maar, zonder een liberale houding die het
recht op ‘anders zijn’ verzekert, niet voldoende. Hoe vrij zijn wij in ons anders mogen
zijn? De grens ligt onvermijdelijk bij de vrijheid van de ander. Moraliteit bestaat
juist bij de gratie van een grens. Het vaststellen van die grens is mensenwerk en
berust daarom eveneens op een arbitrair en circulair oordeel.
Kwetsbare humaniteit
Het liberale recht op anders zijn wordt begrensd door de humane plicht datgene wat en
diegene die kwetsbaar is en anders, te beschermen. De cirkel blijft echter rond, want
waarom zou de een zijn vrijheid beperken ter wille van de ander? Vernietiging van
pluriformiteit lijkt onvermijdelijk te zijn, omdat ‘het andere’ in zijn recht op
vrijheid altijd de kwetsbare humaniteit bedreigt. Zo kan een liberale democratische
overheid moeilijk toestaan dat - met een beroep op de liberale vrijheid - diezelfde
liberale maatschappij in haar fundamenten wordt ondermijnd. Liberale overheden hebben
de plicht verscheidenheid te beschermen, maar claimen tevens het recht pogingen tot
ondermijning van primaire humane rechten te bestrijden.
Autonomie en heteronomie
De mens lijkt niet aan ‘strijd’ en dus aan geweld te kunnen ontkomen, misschien...
tenzij, opvoeders wereldwijd in staat zijn bij kinderen autonomie te ontwikkelen die
heteronoom is geïnspireerd. Autonomie betekent dan het eigen morele handelen afstemmen
op de noden van de ander, enerzijds vanwege zijn kwetsbaarheid die hem vernietigbaar
maakt en anderzijds vanwege zijn verscheidenheid die tevens mij mijn identiteit doet
kennen. Als autonomie en heteronomie hand in hand gaan, zal blijken dat de wederzijdse
morele rechten en plichten binnen een gemeenschappelijke vrijheid complementair en
verenigbaar zijn. Het vaststellen van de kaders van die vrijheid is mensenwerk en
vereist daarom niet aflatende wereldwijde dialoog.
Queeste - Erkend lid Vereniging Filosofische Praktijk - Copyright © 2005-2009.