De pedagogische tik (2)

Uitgangspunten

Het concept ‘pedagogische tik’
Onder een pedagogische tik versta ik iedere vorm van fysiek geweld of fysieke dwang tegenover het kind, met de bedoeling dit kind te beletten iets te doen, het ergens toe te dwingen of het te straffen wegens het overtreden van een ‘regel’. Kortom, aan de orde is de ‘tik’ die wordt uitgedeeld om het kind op te voeden. Mijn definitie sluit drie situaties uit:

  1. Het fysieke geweld dat acuut noodzakelijk is om het kind voor gevaar te behoeden;
  2. Het fysieke geweld dat ouders in een conflictsituatie plegen of – ten einde raad – in een emotionele opwelling van woede;
  3. Het fysieke geweld als uitoefening van wraak. In de eerste situatie is geweld gerechtvaardigd, niet direct op pedagogische gronden, maar ter bescherming. De laatste twee situaties missen het intentionele aspect dat eigen is aan opvoeding en zij vallen daarom duidelijk buiten het pedagogische domein. Uiteraard moeten deze twee vormen van geweld worden bestreden, omdat geen enkel geweld tegenover kinderen te rechtvaardigen is.

These
Mijn definitie van ‘pedagogische tik’ heeft het voordeel dat de discussie zich toespitst op de tik die expliciet bedoeld is als opvoedkundig middel. Ik verdedig de these dat zelfs deze zogenoemde pedagogische tik niet is te rechtvaardigen. De uitdrukking ‘pedagogische tik’ is niet een schijnbare tegenstelling, maar een feitelijke en daarmee een contradictio in terminis. Slaan en opvoeden sluiten elkaar uit.

Perspectief
Omdat opvoeden fundamenteel normatief is, verdedig ik mijn these op grond van morele overwegingen. Mijn positie past binnen de autonomieliberale visie op opvoeding, zoals ik die tegenkom bij auteurs zoals Crittenden (1988). Echter, anders dan de liberale auteurs, stel ik het primaat van een hermeneutische reflectie van het kind op zijn eigen handelen en morele ervaring, boven een vroege traditieoverdracht van normen, regels en waarden (Stoel, 2003, p. 76). Behalve de principes van vrijheid en verantwoordelijkheid van de ouders, liggen nog twee andere morele principes ten grondslag aan mijn visie, namelijk de kwetsbaarheid en de uniciteit van de ander (Stoel, 2003, p. 84), in dit geval dus van het kind. Vanwege deze kwetsbaarheid die hem vernietigbaar maakt en vanwege zijn recht op anders zijn, verplicht mijn – en dus ieders – autonomie tot heteronoom handelen. Niet als gebod, maar als het resultaat van morele ervaring en reflectie daarop door een redelijke ratio. De waarlijk morele beslissing is autonoom, maar tevens onontkoombaar heteronoom vanwege het belang van de ander. Mijn visie sluit iedere vorm van (fysiek) geweld in de opvoeding uit, en – maar dit terzijde – niet alleen daar.

vorige - 1 - 2 - 3 - 4 - 5 - 6 - volgende

Queeste - Erkend lid Vereniging Filosofische Praktijk - Copyright © 2005-2010.