Ouders mogen zelf weten hoe zij opvoeden
De opvoedingsautoriteit van ouders kan wordt gerechtvaardigd vanuit het gezin als
sociaal en cultureel ontwerp, waarin de biologische aspecten primair een
morele betekenis hebben. De argumenten hiervoor berusten op persoonlijke
vrijheid tot voortplanting en morele verantwoordelijkheid voor de gevolgen hiervan.
Voortplanting genereert primair een morele plicht tot opvoeden en secundair
het recht van ouders hun eigen kind te mogen opvoeden (Crittenden 1988, 68
e.v.). De opvoedingsautoriteit van ouders is moreel gefundeerd. Voorstanders van de
pedagogische tik betogen dat kinderen (moeten) leren hoe zij zich wel en niet
behoren te gedragen. De tik zou bijdragen aan de morele opvoeding. Het recht
van de ouders op opvoedingsautoriteit zou erop wijzen dat zij mogen bepalen
hoe er opgevoed wordt, en niemand anders, zeker niet de staat.
Een kind heeft niet veel te willen, ...toch?
Een hulpeloos en onmondig wezen als een kind, kan weinig tot niets inbrengen tegen het
opvoedingsgezag van zijn ouders. De ouders zijn autonoom. Echter hun kind is niet het
lijdende voorwerp van hun opvoedkundig handelen, maar vóór alles het doel. Eens zal dit
onmondige kind op eigen benen moeten kunnen staan. En dat leert het niet van de ene op
de andere dag. Opvoeding genereert een toenemend vermogen van het kind zelf te kunnen
beslissen en te handelen op een zich telkens uitbreidend terrein van zijn leven. Dit
gegeven beperkt met omgekeerd evenredige geldingskracht de mogelijkheid van ouders hun
interventies op die punten te rechtvaardigen. Het recht van ouders op
opvoedingshandelen wordt begrensd door de onvermijdelijke plicht tot vermindering van
hun gezaguitoefening, die afhankelijk is van de ontwikkelingsvoortgang van het kind.
Zelfs als zij het met deze redenering eens zijn, zien voorstanders van de pedagogische
tik nog steeds ruimte voor de toepassing van (fysieke) straf, namelijk in de
leeftijdsfase waarin, of op die gebieden waarop het kind, zelf nog geen
verantwoordelijkheid kan dragen. En deze periode kan gemakkelijk – naar eigen
goeddunken – worden opgerekt. Of toch niet? Mijn tegenargument is van morele aard.
De morele status van het kind
Als morele persoon kan het kind geen eigendom zijn van zijn ouders, waarmee zij mogen
doen wat zij willen. De morele status van het kind omvat volgens Crittenden een drietal
samenhangende concepten, namelijk die van ‘volledig mens’, van ‘persoon zijn’ en van
‘drager van mensenrechten’. Dit betekent ten eerste: dat de foetus in de leeftijd van
zeven tot acht maanden vanwege een volledig ontwikkeld centraal zenuwstelsel reeds als
een ‘volledig menselijk wezen‘ moet worden beschouwd, met alle morele rechten die bij
deze status behoren. Ten tweede: omdat de taalontwikkeling in de groei naar ‘persoon
zijn’ essentieel is, moet een kind bij ongeveer driejarige leeftijd een ‘persoon’
genoemd
worden i. Ten derde: het ouderlijke gezag over het kind moet gericht
zijn op het welzijn van het kind als drager van mensenrechten, waarvan binnen
de context van ons thema het recht op vrijheid primair is. Een kind heeft daarom vanaf
ongeveer driejarige leeftijd recht op respect voor zijn ‘vrijheid en
autonomie’. Nog steeds zien voorstanders van de pedagogische tik ruimte voor
rechtvaardiging van slaan als opvoedingsmiddel. Immers een jong kind is nog niet in
staat te beoordelen of zijn handelen anderen of zichzelf kan schaden. Het kan daarom
geen aanspraak maken op zijn recht op vrijheid. De autoriteit van ouders kan kinderen
in die eerste jaren van de opvoeding daarom gerechtvaardigd frustreren, zo
wordt geredeneerd. Dit biedt ruimte voor straf, die de pedagogisch gerechtvaardigde tik
niet uitsluit. Mijn bezwaar tegen deze conclusie berust op het schadebeginsel.
Het schadebeginsel
Recent neurobiologisch onderzoek van mevrouw Riksen-Walraven, hoogleraar belast met het
onderzoek naar vroegkinderlijke ontwikkeling, wijst op een samenhang tussen positieve
ervaringen van kinderen -zoals knuffelen en lachen- en een goede ontwikkeling van de
hersenen. Negatieve ervaringen en stresssituaties belemmeren de ontwikkeling van de
rechterhersenhelft, die voor de sociaal-emotionele ontwikkeling cruciaal is.
Stresssituaties – waarop een baby of peuter reageert met huilen – moeten daarom worden
voorkomen (Riksen, 2002). De pedagogische tik behoort voor het kind tot de categorie
‘negatieve ervaringen’. Omdat stresssituaties schadelijk zijn voor de
sociaal-emotionele ontwikkeling van het kind, past de fysieke tik niet in een opvoeding
die het beste met het kind voorheeft. De vrijheid van ouders hun eigen
opvoedingsmiddelen te kiezen wordt begrensd door het schadebeginsel, dat de
kwetsbaarheid van het kind beschermt.
Ik herhaal nog even in andere woorden de these die ik verdedig: opvoeding en slaan sluiten elkaar uit. Wie zijn kind slaat is niet aan het opvoeden en wie opvoedt slaat niet. De pedagogische tik als straf dient geen enkel opvoedingsdoel. De voorstander van de pedagogische tik als opvoedingsmiddel laat zich door het voorgaande niet gemakkelijk overtuigen van zijn ongelijk. Zijn belangrijkste argument tegen mijn these is theoretisch onderbouwd. Laat ik deze theorie eens kort bezien.
vorige - 1 - 2 - 3 - 4 - 5 - 6 - volgende
Queeste - Erkend lid Vereniging Filosofische Praktijk - Copyright © 2005 - 2011.