Hierna ga ik in op de gebreken in het netwerk van kernbegrippen van het Flew-Benn-Hart- model, waarop ook Wilson zich beroept. Het achterliggend conceptueel netwerk kan de toets op de vermeende pedagogische merites en logische geldigheid niet doorstaan.
Inadequate begrippen
Marshall bekritiseert het juridische model van Flew-Benn-Hart en concludeert dat de
overdracht naar de opvoeding problematisch is. ‘...There are problems with all
five conditions...[van de definitie: RS]’ (Marshal, 1998, p. 373). Hoewel Peters
probeerde de begrippen ‘regels’ en ‘autoriteit’ naar de gezinssituatie te vertalen,
lukt het niet ze van hun juridische connotatie te ontdoen. Marshall volgt Wittgenstein
als hij stelt dat het concept van straf niet bestaat. Wel is er ‘family
resemblance between these uses which we learn and apply in use, and there is no one
sense, or logically prior sense of punishment’ (ibid.). Foucault stelt dat straffen een
machtsuitoefening is, die een soort persoon voortbrengt die een nuttig en volgzaam
leven leidt (ibid., p. 370). Is dat het ultieme einddoel van opvoeding? Kan de ouder
aan zijn kind uitleggen dat begrippen zoals vergelding, afschrikking en opheffing
passen binnen de opvoeding van de persoon die hem de liefste is. De wijsgerig
antropologische vraag doet zich voor of de ouder iemand wil zijn die door middel van
‘afschrikking’ en ‘vergelding’ zijn ‘afgedwaalde’ kind wil ‘terugbrengen’ op het ‘goede
pad’.
Regels
Regels spelen in de menselijke omgang een grote rol. Zo worden verkeersregels achteraf
gemaakt om het al bestaande verkeer goed te laten verlopen. Verkeersopvoeding bestaat
daarom terecht voor een belangrijk deel uit het leren (toepassen) van deze regels. De
regels in het morele verkeer zijn echter van een andere aard en zij worden op een
andere wijze geleerd. De sociale werkelijkheid bestaat dankzij
constitutieve regels en is slechts door middel van deze regels te begrijpen
(Levering, 1998, p. 6). Naar analogie begrijpen ethici de moraliteit alleen vanuit het
morele handelen zelf. Ethiek is hermeneutiek van de morele ervaring (Stoel, 2001, p.
62; Van Tongeren, 1999, p. 67). Morele opvoeding vereist een hermeneutiek na
het handelen, omdat de toepassing van de regel vooraf gaat aan de formulering ervan.
Zoals wetten nooit goed passen op een gepleegde misdaad, zo passen algemene ethische
regels niet op het specifieke morele handelen van een persoon. Rechtspraak vraagt om
jurisprudentie en morele vorming om hermeneutiek. Beide activiteiten ontplooien zich
echter niet óór het handelen, maar daarna.
Als opvoeders het resultaat van hun eigen ethische reflectie (dus hun morele regels) voor het kind formuleren als a-priori regels waaraan het kind zich in zijn handelen moet houden, negeren zij de morele ervaring van het kind én dit hermeneutische proces. Een opvoeding die gebaseerd is op het plichtmatig handelen volgens vooraf gegeven regels, met beloning voor goed handelen (= gehoorzaam zijn) en straf voor verkeerd handelen (ongehoorzaam zijn) moet getypeerd worden als disciplinering, conditionering of dressuur. Een dergelijke opvoeding miskent de morele vrijheid en de persoonlijke verantwoordelijkheid van het kind en maakt gebruik van macht. De zogenoemde ‘logica’ van Wilson toont niet aan dat de stap van regel naar overtreding en vandaar naar de noodzaak van straf onontkoombaar is. Het verband tussen beide concepten is niet noodzakelijk, maar contingent. Het begrip ‘regel’ verwijst naar een ander concept dan het begrip ‘strafbare overtreding’. Het is de opvoeder die kiest voor wel of geen (fysieke) straf.
Autoriteit
Wilson schrijft: ‘...we establish authorities with particular powers ...whom we
undertake to obey because they are the legitimate authorities...’. Wilson acht het
onmogelijk dat &lsquo ... children could be brought up without...doing what they
were told even if they did not understand why they should do it....’ Hij rechtvaardigt
de bevoegdheid van de autoriteit vanuit de wettige en juridische wereld van de
volwassene en meent de noodzakelijkheid van straf op logische gronden te kunnen
aantonen, maar miskent hiermee de aard van de opvoedingsrelatie. Immers volwassenen
participeren in de maatschappij bij de gratie van hun democratische rechten. Zij kunnen
invloed uitoefenen op regels, wetten en politieke besluitvorming. Zij kunnen,
als het politieke klimaat hen niet bevalt, dit regime ontwijken door te vluchten of te
emigreren. Kinderen hebben geen keuze, zij zijn volstrekt hulpeloos en hebben een
pedagogische autoriteit nodig, die niet vanuit de wet wordt gelegitimeerd, maar die
fundamenteel berust op moraliteit. Alleen op die manier kan een kind toegroeien naar
democratisch burgerschap.
Relatie, moraal en macht
Het proces van opvoeden berust op een relatie tussen opvoeder en kind. Als de
ouder zijn kind slaat, staat beider existentie op het spel en niet alleen die van het
kind. Zoals Bransen dit in zijn oratie over ‘Jezelf blijven’ formuleerde, de vraag doet
zich voor: ‘Wil ik iemand zijn die zijn kind slaat’ (Bransen, 2003). Een tik in een
conflictsituatie leert het kind niets van goed en kwaad, maar wel van
macht. De moraal van de (fysieke) straf is dat conflicten gewonnen kunnen
worden door machtsuitoefening en/of geweld i.
vorige - 1 - 2 - 3 - 4 - 5 - 6 - volgende
Queeste - Erkend lid Vereniging Filosofische Praktijk - Copyright © 2005 - 2011.